Wat als … de dingen konden praten?

“Ik staarde verdrietig voor me uit en dacht aan vroeger.” Dit is een zin die in een verhaal zou kunnen staan. Een vraag aan jou: wie is de ‘ik’ in het citaat? Je denkt misschien direct aan een ouder persoon: een oma in een bejaardentehuis of iets dergelijks. Maar het kan ook een tiener zijn, die denkt aan zijn of haar jeugd. In ieder geval, de ‘ik’ is een mens.

Ik stel een perspectiefwisseling voor. Wat nu als de ‘ik’ geen persoon is, maar een ding? Een bankje in het park bijvoorbeeld, een lantaarnpaal, een muur in de kamer van een huis. Wat nu als die dingen denken, luisteren, observeren… zou dat geen leuke basis zijn voor een verhaal?

Een mogelijkheid is om het verhaal van het voorwerp te vertellen. Het ding zelf is dan de hoofdpersoon. Wat maakt het mee, waar is het allemaal geweest, wat denkt het, wat wil het?

Ten tweede kan het ding een ander perspectief bieden op de hoofdpersoon, die wel een mens is. De muur van een huis kan het verhaal van een familie vertellen: een muur is er altijd en ziet alles – ook dingen waarvan men denkt dat niemand ze weet. Of een trouwring die alle intieme momenten van een huwelijk meemaakt. Of de stoel in het bureau van een psycholoog.

Het perspectief van een ding is grappig en interessant. Het leuke is dat je de lezer kan foppen. Je kan het begin van je verhaal zó schrijven dat het lijkt alsof het over een persoon gaat, terwijl later blijkt dat het een voorwerp is. Een onverwachte twist! Een voorbeeldje, ter inspiratie:

“Ik staarde verdrietig voor me uit en dacht aan vroeger. Vroeger, toen dit huis nog vol leven was. Vroeger, in mijn jonge jaren. Moeder kookte elke avond, vader las dan de krant. Het huis rook dan naar andijvie met spek, of boter en vis, of smeuïg gehakt. Het geluid van de radio die zacht opstond, het gekraak van de krant, het spatten van vet in de pan. En Marion, de kleine, die braaf met haar poppen speelde. Maar nu is het huis leeg. Er is niemand meer. Niemand, behalve ik. Maar nu ben ik oud, verouderd, afgedankt. Niemand wil meer bij me wonen. Er zitten diepe barsten in mijn voorhoofd en ik begin grijs te worden. Ik ben er altijd geweest, maar nu ben ik eenzaam. Kapot. Moe. En ik wacht – wacht tot ik gerecycled wordt. Tot de bouwvakkers mij komen slopen en mijn onderdelen gebruiken voor een nieuwe, jonge muur. Ik kan niet wachten tot dat moment.”